Tijdens de overgang verandert de aanmaak van hormonen in het lichaam. De eierstokken produceren geleidelijk minder progesteron en oestrogeen. In de eerste fase van de overgang daalt progesteron vaak sneller dan oestrogeen. Daardoor kan er een situatie ontstaan waarin oestrogeen relatief overheerst. Dit wordt ook wel oestrogeendominantie genoemd.
Oestrogeen speelt een rol bij vetopslag. Wanneer oestrogeen relatief overheerst ten opzichte van progesteron, kan dit invloed hebben op de vetopslag in het lichaam. Dat kan een rol spelen bij gewichtstoename in deze fase, meestal in combinatie met andere factoren zoals leefstijl en veranderingen in lichaamssamenstelling.
Daarnaast verandert de plek waar vet wordt opgeslagen. Door de daling van oestrogeen (oestradiol) verschuift vetopslag vaker van heupen en dijen naar de buik. Buikvet kan hierbij een rol spelen: vetweefsel kan uit testosteron nieuwe oestrogenen aanmaken en zo bijdragen aan het opvangen van hormonale schommelingen.
Later in de overgang daalt het oestrogeenniveau verder. Dit kan samenhangen met verlies van spiermassa. Omdat spierweefsel meer energie verbruikt dan vetweefsel, kan het dagelijkse energieverbruik daardoor afnemen. Als het eetpatroon gelijk blijft, kan dit bijdragen aan verdere gewichtstoename.
Veel vrouwen ervaren tijdens deze periode meerdere overgangsklachten tegelijk. Gewichtstoename kan samengaan met klachten zoals slecht slapen, stijve of pijnlijke gewrichten en een opgejaagd gevoel.