Tijdens de overgang stoppen je eierstokken langzaam met de productie van oestrogeen en progesteron. In de eerste fase van de overgang dalen en schommelen beide geslachtshormonen sterk. Als het oestrogeen begint af te nemen, heeft dat effect op de aanmaak van collageen: een eiwit dat zorgt voor stevige en soepele spieren.
Oestrogeen ondersteunt de collageenproductie. Als de aanmaak van oestrogeen afneemt, vermindert daarmee de hoeveelheid collageen. Dat kan invloed hebben op je spieren. Ze kunnen pijn doen of gespannen zijn.
Ook heeft de afname van oestrogeen invloed op de spiermassa. De spiermassa neemt af en de spieren worden minder elastisch. Je bent niet meer zo soepel als voorheen. Ook je gewrichten kunnen daaronder leijden. Denk aan stijve handen, zere knieën of pijnlijke schouders.
Daarnaast speelt het hormoon leptine een rol. Leptine remt je eetlust, maar beïnvloedt ook je spiermassa. In de overgang kan je door hormoonschommelingen minder kwetsbaar worden voor leptine (er onstaat een zogeheten leptineresistentie). Dat kan ontstekingen in het lichaam veroorzaken en spierpijn kan toenemen.
Vanaf je 30ste neemt de spiermassa elke tien jaar met drie tot acht procent af. Die afname versnelt na je 60ste. Verlies van spiermassa hoort dus bij het ouder worden. Veel vrouwen beginnen dit te merken zodra ze in de overgang komen. Sommige merken dit al vroeg in de eerste jaren van de overgang: de perimenopauze. In de postmenopauze vergroot de kans op spierklachten.