Ruim 80 procent van de vrouwen ervaart in meer of mindere mate opvliegers tijdens de overgang, met name in de perimenopauze. Tijdens de overgang daalt de hoeveelheid oestrogeen en progesteron in je lichaam. Deze geslachtshormonen hebben allerlei functies, waaronder het afstellen van je lichaamstemperatuur. Met name oestrogeen speelt daarbij een belangrijke rol. Als oestrogeen afneemt, krijgen je hersenen een signaal dat je het te warm hebt. Ook als dat helemaal niet zo is en de buitentemperatuur juist heerlijk is.
Dat werkt zo: als oestrogeen afneemt, neemt het stresshormoon noradrenaline toe. Je lichaam reageert daarop door zich (snel en intens) af te koelen. Je bloedvaten zetten uit, je gaat flink zweten en wordt rood. Alsof je innerlijke thermometer blijft hangen op 35 graden Celsius. Maar het kan ook andersom: je krijgt het koud en begint te rillen; het vriest. Komen de opvlieger ‘s nachts opzetten? Dan spreek je van nachtzweten.
Tijdens je ‘normale’ menstruatiecyclus werkt je lichaam precies hetzelfde. Als je menstrueert, daalt het oestrogeen en zakt je lichaamstemperatuur licht. Als je ovuleert en het oestrogeen toeneemt, stijgt de temperatuur weer. In de overgang zijn deze temperatuurschommelingen alleen (een stuk) heviger.
Als de laatste menstruatie is geweest, nemen de opvliegers bij veel vrouwen af. Het is dus een kwestie van tijd tot ze minder worden. Tien jaar na de menopauze heeft slechts vijf procent van de vrouwen er nog last van. Behoor jij tot die vijf procent? Laat dat dan onderzoeken.