Als vrouw word je geboren met een hele voorraad eitjes. Tijdens iedere cyclus verlies je een deel van deze voorraad, totdat de voorraad langzaam opraakt. Dat is het moment, zo rond je 45ste levensjaar, dat je in de overgang komt.
Tijdens je cyclus spelen twee hormonen een belangrijke rol: oestrogeen en progesteron. In de eerste helft van de cyclus maak je voornamelijk oestrogeen (oestradiol) aan. In de tweede helft, als er een eisprong plaatsvindt, maak je ook progesteron aan.
Als je in de overgang terechtkomt, betekent dat niet dat je van de één op de andere dag niet meer vruchtbaar bent. Sterker nog: je lichaam zet alles op alles om toch nog wat eitjes te laten rijpen. Dat proces wordt aangestuurd door de hersenen. Zij maken extra FSH (follikelstimulerend hormoon) en LH (luteïniserend hormoon) om de eicelrijping en eisprong op gang te houden. Hoe dichter bij de menopauze, hoe lastiger het wordt om de eicellen die nog voorradig zijn te stimuleren.
Ook ontstaat er in de overgang steeds vaker een cyclus zonder eisprong (ook wel anovulatoire cyclus genoemd), totdat de menstruatiecyclus helemaal uitblijft (de menopauze). Als er geen eisprong plaatsvindt, maak je dus weinig tot geen progesteron aan. Dit kun je bijvoorbeeld merken aan hevige bloedingen, langdurige bloedingen, verdikking van het baarmoederslijmvlies en baarmoederpoliepen.




